Raceverslag Ascend Extreme

Velen van jullie vroegen om een raceverslag en aangezien ik zo trots als
een pauw ben op deze finish, deel ik mijn en onze belevenissen natuurlijk
graag met jullie. Het was maar goed dat we alle drie niet wisten waar we
aan begonnen, maar kunnen intussen terugkijken op een prachtig
avontuur. Hopelijk klinkt dat ook door in onderstaand verslag.

Nachtbrakers

Waar het bij een ‘normale’ full distance vaak loont om wat eerder je bed uit te komen en in alle rust te ontbijten, begon deze dag al direct anders dan anders. De starttijd van 03.00 uur maakte slapen op zichzelf al een uitdaging en een volwaardig ontbijt voelde meer als een risico dan als een voordeel: met alles wat ik de dag ervoor al had gegeten, zou extra eten vooral een recept zijn voor maagstress. Dus koos ik voor een compromis dat eigenlijk alles samenvatte wat nu zou werken: de wekker om 01.00 uur, snel twee pannenkoekjes, wat vocht naar binnen en direct door naar T-1, gelukkig
op korte afstand van ons hotel. Ook voor Marijn en Gaby was het een nacht van niks, met een dag van alles in het vooruitzicht. 

 

Bij T-1 aangekomen, werd meteen duidelijk dat dit geen doorsnee triatlon was. Het was er een chaotisch geheel: net iets te weinig parkeergelegenheid voor het aantal deelnemers, auto’s die half creatief geparkeerd stonden, maar wij waren lekker vroeg. Dat gaf rust. Ik kon zonder stress mijn fiets controleren, mijn spullen checken en me daarna richting de start begeven. Door het slechte weer van de avond ervoor hing er nog een deken van bewolking en het meer lag er aardedonker bij. Het aantrekken van

mijn wetsuit werd ineens geen routineklus, maar een kleine puzzel: hoe kreeg ik die verplichte glowstick zó bevestigd dat hij bleef zitten, zonder in de weg te zitten? Uiteindelijk wist Marijn hem aan mijn bril te knopen, terwijl Gaby de boei in gereedheid bracht. Op dat moment voelde ik al dat dit een heel andere race zou zijn dan we gewend zijn. In plaats van nog even zwaaien naar je geliefden vanachter een hek, stond hier een startzone vol support crews, dicht om hun atleet heen. De hele setting ademde een ander soort intimiteit en intensiteit.

Zwemmen in de duisternis

Ik koos ervoor om toch een korte warm-up in het water te doen, vooral om te wennen aan het minimale zicht in de duisternis. Dat wennen ging meteen praktisch: ik botste bijna tegen een andere deelnemer aan. Eén ding was duidelijk: zelfs met glowstick was het zicht nog altijd beperkt. Terug naar de kant dus, een goede plek zoeken voor de massastart. Ik positioneerde mezelf in het midden van het veld, maar bewust op de vierde of vijfde rij. Zo konden de echte snelle zwemmers direct vertrekken, terwijl ik wel optimaal gebruik kon maken van de massastart en het veld voor me.

Om 03.00 uur was het zover. Na een korte speech van de race director klonk het startsein en veranderde de stilte in een kolkende massa van armen, benen en spetters. Het was even een klassieke massastart: duwen, tikken, lichte pogingen tot overzwemmen, hier en daar een arm die onverwacht je schouder of benen raakt. Toch wist ik redelijk uit het grootste gedrang te blijven en had ik al vrij snel ruimte om me heen om in mijn eigen slag te komen. De tactiek voor vandaag was helder: vooral ontspannen zwemmen, met de eindtijd volledig ondergeschikt. Die keuze gaf verrassend veel rust. Ik kon goed navigeren, overactieve zwemmers die de strijd zochten ontwijken en mezelf koel houden door iedere 200 meter een scoop water in mijn wetsuit te laten lopen. De organisatie noemde een watertemperatuur van 24
graden, maar eerlijk gezegd voelde het meer als 26 graden.

Het navigeren zelf was vrij overzichtelijk. Iedere boei was verlicht en de keerboeien hadden een knipperlicht; in de zwarte nacht waren dat kleine bakenlichtjes waar je naartoe werd gezogen. De grootste uitdaging kwam van de hoofdlampen van de suppers en kanoërs. Volledig terecht schoten hun lichtbundels als zoeklichten over het veld, maar af en toe zorgde dat voor een flinke dosis verblinding. Het hele meer was pikdonker, terwijl het startgebied fel verlicht was; navigeren terug richting dat licht,
door al die contrasten heen, maakte het laatste deel van het zwemonderdeel net wat lastiger. En toch had het iets magisch: de stilte van de nacht, het donker, de sliert van glowsticks in het water, het zachte klotsen van honderden armen tegelijk. Dit was geen standaard zwemparcours, dit was een scène. Na twee ronden van 1,9 kilometer klom ik uiteindelijk net onder de 1u20min uit het water.

Het ‘makkelijke’ deel

T-1 voelde opnieuw als een andere wereld dan bij een reguliere triathlon. Geen rijen vrijwilligers en juichend publiek, maar een compacte zee van support crews in gele hesjes. Het was even zoeken naar mijn eigen team, tot ik Marijn fanatiek zag zwaaien. Hij nam me mee naar de stoel die Gaby al had vrijgemaakt. Wetsuit uit, fietskleding aan. In tegenstelling tot sommige deelnemers die direct in een trisuit doorwisselden, gingen de meesten, inclusief ikzelf, van zwemkleding onder het wetsuit naar reguliere fietskleding. Met de buitentemperatuur was een shirt met korte mouwen voorlopig voldoende. De fiets moest uiteraard goed verlicht zijn: op het stuur een felle halogeenlamp om de weg voor me zichtbaar te maken en achter de Garmin Varia om informatie te hebben over achteropkomend verkeer. Want hoewel alle grote kruisingen door verkeersregelaars en agenten werden afgesloten, deelden we de weg nog gewoon met het normale verkeer. 

 

De eerste kilometers voerden door de binnenstad van Lourdes. Korte steile klimmetjes, stukken slecht asfalt, verkeersdrempels: het voelde meer als een technische warming-up dan als een echte racefase. Eenmaal buiten de stad nam de duisternis het over. Je wereld verkleinde zich tot het witte licht van je eigen lamp en, als je geluk had, het rode achterlicht van een deelnemer voor je. Het eerste deel liep vals plat omlaag, dus met een stevige 40 km/u gleed ik door de nacht. Een bijna serene, maar tegelijk surrealistische ervaring. Lang duurde die gratis snelheid niet. Het nadeel van een fietsparcours met zulke extreme hoogtemeters is dat kleine klimmetjes van 50 tot 100 hoogtemeters nauwelijks zichtbaar zijn op een hoogteprofiel, maar in het echt toch flink doortellen. De eerste 60 kilometer bleken daardoor een stuk heuvelachtiger dan ik had verwacht Rond kilometer 20 diende zich de eerste serieuze klim aan, met gradiënten boven de 10%. De verleiding om hier direct te gaan pushen was groot, maar ik dwong mezelf terug te schakelen naar het kleinste verzet en ontspannen omhoog te rijden. Intussen zag ik links de eerste stroken ochtendlicht verschijnen en begon ik me te verheugen op het eerste geplande contactmoment met mijn support crew op kilometer 70. Nog voor het zover was, kreeg ik een schitterende afdaling door een bos geserveerd, over hagelnieuw asfalt. In het donker, met volle snelheid, de wind langs je helm en alleen de lichtbundel voor je: wat een genot, wat een bijzondere ervaring. 

 

Na het eerste afgesproken punt, waar ik Gaby en Marijn weer zag, naderden we de Port de Bales. Een klim die ik kende als verraderlijk: rustig begin, grillig vervolg, zwaar in het totaal. De bewolking en mist werkten dit keer in mijn voordeel; het was vochtig, aangenaam qua temperatuur en bovenop zelfs ronduit fris. De stukken van 10% hakten er opnieuw in, maar ik kwam goed door de klim. Het deed bijzonder goed om Gaby en Marijn bovenop te zien met pinda’s, pannenkoeken en snoep. Hier ging de jas voor het eerst aan: 

het was tijd voor wat ik het mooiste onderdeel van rijden in de bergen vind, de afdaling. Daarin had ik me echter verkeken op de temperatuur. De afdaling van de Port de Bales bleek een stuk kouder dan verwacht. Mijn schouders en armen verkrampten, ik voelde me letterlijk strak op de fiets zitten en de rits van mijn jas schoof ook nog open. Er zat niets anders op dan even stoppen, mezelf opnieuw goed aan te kleden en met meer ontspanning opnieuw naar beneden te gaan. Oorspronkelijk hadden we afgesproken om de support bij iedere klim te zien, maar ik merkte dat ik de frequentie echt omhoog moest schroeven om niet door mijn iso en water heen te schieten. Dus op de Peyresourde zag ik Gaby en Marijn al relatief snel weer, klaarstaand met gummybeertjes en mentale ondersteuning.

Het echte klimwerk

De Peyresourde kende ik ook, maar ik was even vergeten hoe lang en relatief steil de aanloop is. Het was druk: veel overig verkeer, veel deelnemers, veel supportauto’s. Een chaotische mix. Bij de haarspeldbochten werd de klim prachtig, maar nu hing er dreigende grijze bewolking boven. Bovenop schoot de kramp vol in mijn linker quadriceps. Ik besloot langer te rusten bij mijn support. Na een minuut of tien vielen de eerste druppels en dat was het signaal om toch weer op de fiets te springen. Die eerste druppels veranderden in minder dan een minuut in een volwaardige onweersbui. De afdaling werd een kwestie van voorzichtig remmen, langzame bochten
en bovenal mijn ogen beschermen tegen de enorme regendruppels die mijn gezicht geselden. Direct na de afdaling volgde de Val-Louron, met beter weer misschien wel de mooiste van de vier grote beklimmingen. 

Vandaag was het een ander verhaal. Regen, onweer, mist en vooral kou zouden de hele klim domineren. Ik voelde de energie langzaam uit mijn lichaam lopen. Ondanks dat de temperatuur officieel nog steeds rond de 12 graden zou moeten liggen, voelde het veel kouder. De regen hield aan, voor ons én voor de support. Hoewel ik de kramp kon managen, voelde het niet goed. Op een gegeven moment besloot ik dan toch maar door een van de citroenen heen te bijten die we speciaal hiervoor hadden meegenomen. Op de top van de Val-Louron had ik geen keuze meer: omkleden was noodzaak. Beenstukken aan, lange mouwen onder de regenjas, en heel even twijfelden we nog over handschoenen. Maar die zouden binnen de kortste keren zeiknat zijn, dus ik liet ze in mijn looptas. Daarna snel weer verder, met veel voorzichtigheid een kletsnatte, regenachtige afdaling in. 

Hier was je weer even volledig op jezelf aangewezen; de support crew moest via een andere route rijden. Wat ik in de voorbereiding had gemist, was het venijnige klimmetje van 200 hoogtemeters daarna, continu rond de 9%. Met krampende quads was dit pure koffiemolenmodus, met maar één doel: boven komen. 

Halverwege deze klim kwam het nieuws via een appje dat de weersomstandigheden ervoor zorgden dat het loopparcours zou worden ingekort. In alle eerlijkheid gaf dat op dat moment meer opluchting dan teleurstelling. Maar goed, er moest nog een afdaling worden gereden richting de voet van de Aspin, een klim waar ik normaal gesproken erg blij van word. Tenminste, tot vandaag. De vermoeidheid begon nu echt zijn tol te eisen. Iedere twee kilometer klimmen had ik een korte pauze nodig om mijn quads te ontspannen en wat voeding binnen te krijgen. Gaby en Marijn hebben me hier echt doorheen gesleept. Het plezier was echt even weg. En de grootste breker van mijn motivatie wachtte niet op de klim, maar erna.

Tijdens de afdaling barstte een stortbui los. Letterlijk kleine riviertjes liepen over het asfalt. Kou, regen, spekglad wegdek en modder vormden samen een cocktail waar ik wel klaar mee was. Tegen de tijd dat ik T-2 naderde, was ik mentaal volledig klaar met fietsen. Ik rolde T-2 niet eens echt in, maar ging linea recta naar de auto van mijn support om op te warmen en me om te kleden. Als er een moment was waarop ik serieus aan stoppen dacht, dan was het wel hier. Nog uren in dit soort weer? Dat zag ik op dat moment simpelweg niet zitten. Maar zoals dat hoort in dit soort races, probeerde ik mijn focus te verkleinen: eerst warme kleding, dan wat eten en drinken, en pas daarna kijken wat de eerste kilometers van het loopparcours zouden brengen.

Trail of weg?

Na zo’n 500 meter lopen kon ik alweer terug. In de chaos van T-2 was ik vergeten mijn chip opnieuw rond mijn enkel te bevestigen. Gelukkig vonden Marijn en Gaby hem snel terug en daarna kon ik echt op pad. De regen nam ondertussen langzaam af. In de briefing was gesproken over asfalt- en grindpaden op de eerste 18 kilometer, maar de praktijk vertelde een ander verhaal. De eerste drie kilometer bestonden uit glad gras, modder en stenen. Als ik dat geweten had, had ik zonder twijfel mijn trailschoenen aangetrokken. Nu gleed ik over het parcours op mijn Hoka’s, die in notime
van geel naar volledig bruin verkleurden. De stokken waren achteraf gezien ook geen overbodige luxe geweest, maar in de briefing had de organisatie nog gezegd: “ach joh, in het begin heb je die niet nodig”. Technisch gezien hadden ze gelijk, want doordat ik ze niet bij me had, heb ik het inderdaad zonder stokken gedaan. Rond kilometer 8 boog het glooiende parcours vanuit Campan richting de Tourmalet. Vanaf dat moment begon het echte klimwerk. Steile modderpaden en korte heuvels werden afgewisseld met vals platte asfaltstroken, die mijn ritme telkens weer braken. Ik was dus extra blij om Gaby en Marijn bij kilometer 12 weer te zien, en nu ook de steun van Marijn als support runner te krijgen voor de rest van de race.
De vermoeidheid sloop steeds verder in het lijf; voeten goed neerzetten en mijn stokken vasthouden ging niet meer vanzelf. Dat werd voor mij het signaal om te kiezen voor een stevig wandeltempo in plaats van rennen. De tijdwinst van dribbelen zou minimaal zijn, en ik wist min of meer wat er nog aan zat te komen. Na een steile klim voor het laatste dorpje namen Marijn en ik nog één korte pauze. Daarna draaiden we het bos in: de ‘echte’ trail. Hier begon het plezier weer.

De beloning

Wat een prachtige tocht ontvouwde zich daar. Veel te steil om te rennen, dus terug naar hiketempo, maar wat een omgeving. Watervallen die langs de rotsen naar beneden stortten, uitzichten over de vallei, alpiene weides die ondanks het weer indruk maakten, deze route had alles. Ondanks de regen konden we toch echt van de omgeving genieten. De hoogtemeters stapelden zich snel op en op sommige stukken werd het pad behoorlijk exposed. Precies het soort terrein waar ik het gelukkigst ben en waar ik het beste tot mijn recht kom. Mijn glimlach groeide met iedere meter hoogte. Samen met Marijn namen we ook echt de tijd om hier en daar even kort stil te staan, letterlijk en figuurlijk en te kijken naar waar we liepen. Intussen wisten we dat ik de laatste cut-off sowieso zou halen, al vermoedde ik al dat we in de praktijk niet meer zouden worden tegengehouden richting de finish.
De steilte en de modderige paden vroegen voortdurend concentratie. Af en toe liepen we op andere deelnemers in, wat telkens voelde als kleine ontmoetingen in een gezamenlijke strijd. Ik vergat de vermoeidheid, de pijn, en kreeg een flinke energieboost van dit fantastische parcours. Rond kilometer 25 bereikten we de laatste parkeerplaats, waar Gaby op ons stond te wachten. Nog een kleine klim naar het dorp, en dan op naar de finish. Dat ‘klein’ bleek nog een flink stuk klimmen te betekenen, inclusief een behoorlijk vochtige oversteek van een waterval. Maar de pijn en vermoeidheid waren nu naar de achtergrond verdwenen. Al snel werden we begroet door Gaby en Rinji, die van bovenaf waren komen aanlopen. Nog zo’n 300 meter naar
de finish. Na een kort interviewtje met de fotograaf van de organisatie liepen we over de promenade richting de finishlijn. Koud, nat, slechts een handjevol toeschouwers, maar iedereen deed zijn uiterste best om zoveel mogelijk geluid te maken toen we over de lijn stapten. Na bijna 17 uur zat de meest extreme triathlon ter wereld erop.

Epiloog

Wat me direct na de finish opviel, was hoe mobiel ik nog was. Na een Ironman kan ik doorgaans nauwelijks lopen; nu voelde ik me fit genoeg om te wandelen en zelfs trappen te nemen. De vermoeidheid was hevig, maar dat leek net zoveel met de korte nacht te maken te hebben als met de inspanning zelf.
Ook de volgende dag voelde ik me relatief goed en hebben we ‘gewoon’ een wandeling kunnen maken met Rinji. Het viel me op dat dit gold voor veel deelnemers. Een van de leuke dingen aan een wedstrijd als deze is dat je gezamenlijk de finisher t-shirts ophaalt en zo automatisch veel contact hebt met de andere atleten. 

 

Het systeem was simpel: de eerste 100 deelnemers kregen een zwart t-shirt, de rest een witte. Het zal niemand verbazen dat er voor mij nog het nodige werk ligt voor een zwart shirt. En daarmee komen we bij de belangrijkste lessen van deze dag. Allereerst hebben we de logistieke stress voor de support crew onderschat. Niet alleen heb je een duidelijke workflow nodig in de auto, ook het overal op tijd aanwezig zijn is een uitdaging op zich. Dit hadden we beter kunnen oefenen; daarmee hadden we het leven van Gaby en Marijn een stuk makkelijker gemaakt. Daarnaast zagen we dat veel anderen grotere support crews mee hadden en eerlijk is eerlijk: we begrijpen nu heel goed wat het voordeel daarvan is. Ik stond heel fit aan de start, maar bleek uiteindelijk toch vooral een laaglander. Ik verloor al veel tijd op de fiets, maar de snelheid waarmee sommigen het loopparcours aflegden, was echt bizar. Van nature ben ik geen lichte atleet en het fietsniveau lag simpelweg erg hoog, opvallend genoeg vaak op oudere, ‘basic’ fietsen. 

 

Tijdens het lopen zag je heel duidelijk het verschil tussen ervaren trail- en ultrarunners en amateurs zoals ikzelf. We hadden geen contactmoment gepland tussen de start en kilometer 60 op het fietsparcours. Achteraf gezien was dat niet handig. Een korte stop geeft niet alleen een mentale boost, maar verkleint ook het risico dat je zonder vocht komt te zitten. En uiteindelijk doe je dit samen; vaker contact hebben maakt het mentaal lichter en simpelweg leuker.


Tot slot zou ik de volgende keer voor dubbele kledingsets willen gaan. Nu hadden we wel extra, verplichte kleding voor het looponderdeel, maar een droge wielerset op de Val-Louron zou goud waard zijn geweest. Aan de andere kant waren we qua materiaal op de fiets juist uitstekend voorbereid (met dank aan Gerben Plieger / Plieger Wielersport):
extra wielen, ketting, onderhoudsspullen en gereedschap. We hebben niets nodig gehad, omdat de fiets zich fantastisch heeft gehouden, maar die voorbereiding gaf enorm veel rust. Alles bij elkaar was dit een bijzonder avontuur. Xtri positioneert deze race zelf als de extreemste triathlon ter wereld, wat ik stiekem wel heel gaaf vind voor een organisatie die ook Patagonman en Norseman op haar naam heeft staan. 

 

Smaakt dit naar meer?
Waarschijnlijk wel. Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat ik echt een betere
trailrunner zal moeten worden om ooit van een black shirt te mogen dromen. Het is verfrissend om zo’n groot project op zo’n relatief laagdrempelige manier te beleven. Dit is geen Ironman-organisatie en dat bedoel ik als compliment. Dat de organisatie, maar ook de winnaar spreken van de extreemste triathlon ter wereld, omarm ik met trots!

Raceverslag Ascend Extreme medaille
Raceverslag Ascend Extreme bevoorrading
Raceverslag Ascend Extreme
Raceverslag Ascend Extreme finisher
Raceverslag Ascend Extreme

 

 

 

 

Ferrum Endurance

Lionel Wille is hoofdcoach van Ferrum Endurance, een van de leidende coachingsorganisaties voor de triatlonsport in Nederland en daarbuiten. Onder begeleiding van Ferrum Endurance hebben sporters wedstrijden gewonnen, kwalificaties voor kampioenschappen verdiend en zijn atleten wereldkampioen geworden bij de amateurs. Maar ook beginnende triatleten krijgen bij Ferrum Endurance de begeleiding om het beste uit zichzelf te kunnen halen. Meer informatie: www.ferrumendurance.nl 

 

 

Professionele bikefitting

Voorkom blessures met een bikefitting. Bekijk de mogelijkheden en plan een afspraak.